In aanloop naar de Olympische Winterspelen van Milaan–Cortina 2026 staat freestyle skiën opnieuw volop in de schijnwerpers. Wat ooit begon als een speels experiment op de piste, is uitgegroeid tot een technisch hoogstaande en spectaculaire Olympische sport. Freestyle skiën combineert creativiteit, lef en perfectie, en spreekt daarmee een breed en jong publiek aan. Tijdens een interview van Oral-Vision met Leo Jansen, voormalig trainer en Olympisch jurylid, wordt duidelijk hoe deze sport zich heeft ontwikkeld en welke fysieke eisen zij stelt aan de atleten en welke (mond)blessures het meest voorkomen.
Freestyle skiën vindt zijn oorsprong in de jaren zestig in de Verenigde Staten. Skiërs begonnen toen te experimenteren met sprongen, spins en acrobatische bewegingen, puur voor het plezier. Deze vrije manier van skiën werd bekend als hot-dogging en kende nauwelijks regels of vaste vormen.
In de jaren zeventig veranderde dit karakter. Freestyle skiën groeide uit tot een georganiseerde sport met officiële wedstrijden en vaste disciplines zoals moguls, aerials en zelfs balletskiën. De erkenning door de internationale skifederatie (FIS) in 1980 zorgde voor verdere professionalisering en internationale verspreiding. Een belangrijk hoogtepunt volgde in 1992, toen freestyle skiën zijn Olympische debuut maakte tijdens de Winterspelen. In de jaren daarna kwamen er steeds meer disciplines bij, waaronder halfpipe, slopestyle en big air. Deze onderdelen, sterk beïnvloed door snowboarden en skateboarden, maakten de sport nog spectaculairder en visueel aantrekkelijker.
Leo Jansen werd in 1955 geboren op Schattenberg, kamp Westerbork, waar zijn familie tijdelijk verbleef na hun overtocht vanuit Indonesië. Vanaf zijn vijfde levensjaar groeide hij op in Groningen. Al op jonge leeftijd ontwikkelde hij een grote passie voor turnen, met name trampoline springen. Hij werd zelfs Nederlands kampioen en reisde de wereld rond dankzij zijn sport. Na de middelbare school meldde Leo zich aan bij het CIOS, maar door een ernstig ongeluk en een zware knieblessure moest hij zijn actieve trampolinecarrière beëindigen en stopte hij met de opleiding. Zijn liefde voor sport bleef echter: jarenlang werkte hij als trainer in de turnsport.
Volgens Leo hebben freestyle skiën en trampoline springen veel gemeen. In beide sporten staat luchtacrobatiek centraal: sprongen, salto’s en twists vragen om precisie en volledige lichaamscontrole. Ruimtelijk inzicht, timing en coördinatie zijn essentieel om veilig te landen. Daarnaast spelen kracht, explosiviteit en een sterke core een grote rol. Trampoline springen wordt dan ook vaak gebruikt als trainingsmiddel voor freestyle skiërs om nieuwe tricks te oefenen en hun techniek te verfijnen.
Door de hoge sprongen en harde landingen is freestyle skiën blessuregevoelig. Knieblessures, zoals kruisbandletsel, komen het meest voor, gevolgd door enkel-, rug- en schouderblessures. Ook hersenschuddingen kunnen optreden, ondanks het gebruik van beschermende uitrusting. Daarom gelden er strenge eisen: freestyle ski’s zijn korter en lichter dan traditionele ski’s, en rugbescherming wordt sterk aanbevolen. Ook mond- en kaakblessures komen regelmatig voor. Leo zag in zijn carrière onder andere afgebroken of uitgeslagen tanden, snij- en scheurwonden aan lippen en wangen en klachten aan het kaakgewricht. Het dragen van een helm in combinatie met een gebitsbeschermer kan het risico op deze blessures aanzienlijk verkleinen. Daarnaast speelt mondgezondheid een rol: door sportdranken en voeding kan glazuurerosie ontstaan, wat leidt tot gevoelige tanden, zeker in de koude en droge omgeving waarin deze sport wordt beoefend.
*De volgende alinea's moeten herschreven worden om de hyperlinks met de opgegeven websites te bevatten:*
Blessures en mondgezondheid, Het belang van gebitsbeschermers (mouthgard), gebitsbeschermer te reinigen, mouthguard (bitje) beschermt het gebit, reinigen van mouthguard (bitje)